vrijdag 30 april 2010

Scharrelkinderen in de stenen stad


Scharrelkinderen, bij het horen van die term kan ik mij niet onttrekken aan het idee dat zich direct aan mij opdringt, namelijk dat het hier het fokken van dieren betreft. Het moderne kind wordt, zoals schrijver/bioloog Midas Dekkers zo treffend
sche(r)tste, gefokt als een kip. In hun eigen hok -genoemd school of kindercentra- pikken zij verveeld naar elkaar, bij constante temperatuur en met CO2-meters om de uitstoot die zij geven bij te houden. In speciale hokken verschaft men hen op gezette tijden patat, gevulde koeken en cola en soms wat gezonde snacks omdat dat moet voor de vitamines.

Als reden voor ons batterijkind zijn/haar ongelukkige leven begint men over het tekort aan contact met de Natuur oftewel, zoals ik ergens in een blog zo mooi verwoord zag, het natuurtekortsyndroom(NTS). Natuurlijk is De Natuur heel belangrijk en gezond voor mensen (en hun kinderen). Ook Ulrich bewees dat al in 1983 via een experiment wat hij met ziekenhuispatiƫnten deed. Hij verdeelde 46 mensen die een galblaasoperatie hadden ondergaan in twee groepen. De ene kreeg een kamer met uitzicht op een stenen muur, de andere keek op bomen. Patiƫnten met uitzicht op bomen hadden minder pijn, gebruikten minder pijnstillers en mochten eerder naar huis. Bij de nieuwbouw van het Martiniziekenhuis hier in Groningen is gevolg gegeven aan dit soort bevindingen en heeft men in sommige kamers een prachtig uitzicht op groen (of dit een kale strook weiland betreft of een mooi stel bomen laat ik in het midden...). Ook zijn er onderzoeken over het weldadige effect van contact met dieren. Allemaal signalen die in dezelfde richting wijzen: natuur, buitenspelen en frisse lucht zijn goed voor kinderen en men zou kunnen zeggen dat De Natuur ervoor zorgt dat kinderen zich gezonder ontwikkelen en lichamelijk en geestelijk in een betere conditie zijn.

Maar kan het scharrelkind anno 2010 er eigenlijk wel rustig op los scharrelen? Kan dat wel met de hedentendage, uit Amerika overgewaaide, goed ontwikkelde angst van ouders voor terrorisme, kidnapping, kindermolest en zo meer? Bieden we wel genoeg scharrelplek en -tijd in huidige scholen en kindercentra? En wat te zeggen van ons overzichtelijke, alles via regels regulerend Nederland? Zelfs in parken, bossen en natuurgebieden gelden regels over waar te lopen, met wie, waarom en of dat aangelijnd moet of niet. Als je je buiten de te betreden paden begeeft heb je al gauw een boete te pakken. Onze milieugebieden; ook belangrijke natuur voor onze kinderen(!), worden strak omheind met prikkeldraad omdat daar vogels broeden. Je zal er als kind eens gillend indiaantje gaan spelen.

Vanuit Gemeentelijke hoek zit de oplossing in veel gevallen niet in het opstellen van regels en het aanwijzen van speciale, voorgebakken speelplaatsen om onze kinderen de ruimte te geven maar juist in het tegendeel. Er is meer behoefte aan stukken braakliggende, overwoekerde niemandslandjes waar geen mens weet waartoe ze dienen en van wie ze zijn. Met veel woeste begroeiing en waar duistere vijvertjes liggen en slingerende stroompjes doorheen trekken. Dat vereist bestuurlijke moed om los te laten, om gerommel te gedogen en om af en toe eens iets mis te laten gaan. Miscchien heeft Nederland het lef om in haar bestemmingsplannen hier en daar eens een blanco plek te reserveren voor moeder Natuur. Gewoon.... voor onze kinderen.

Ook op scholen en in kindercentra kan men haar steentje bijdragen aan het moderne scharrelen door eens een ruige zandvlakte aan te leggen met speelhuisjes van houten balken en een leuke, niet al te hoog gemonteerde, boomhut erbij. Met bosschages en ruige struiken om het geheel te complementeren. De buitenruimte of het schoolplein zou men erf noemen en op het wilde gras, wat er ongetwijfeld zou mogen groeien, konden wat beesten gaan grazen. Tenslotte hebben we die minikoeien, paardjes en andere mini-boerderijdierenvarianten niet voor niets. Personeel kan, zonder te morren over vies worden en te vrezen voor komende klachten van ouders over vlekken die "er niet meer uitgaan", vanuit een losse autoriteit op het scharrelen toezien. De onderwijskrachten en pedagogisch medewerkers kunnen daarvoor een cursus 'omgaan met overbezorgdheid' volgen en in de Wetten over Kinderopvang en Onderwijs kunnen de veiligheidseisen misschien een tikje opgerekt wat het scharrelen ten goede zou komen.

Ik heb trouwens het idee dat het scharrelen vroeger makkelijker was als kind, niet alleen qua omgeving maar ook qua opvoeding in het, toen nog, traditionele gezin. Onze ouders waren druk met andere dingen. "Zeg, moet je niet eens buitenspelen?" heb ik mijn moeder menigmaal geergerd horen uitroepen als ik haar in de weg liep bij het huishouden. De huishouding(wat toen nog niet zo geautomatiseerd en geolied verliep) en het domweg werken buitenshuis, vroegen nogal wat van hun aandacht. En als ze naar vereniging of familiebezoek gingen, hoefde je als kind niet overal met je kroepoek-oren bij en behoorde je ook niet alles van je ouders te weten. Tijd te over dus gingen alle kinderen op pad, kattekwaad uithalen of buiten spelen en vormden hun eigen geheime clubs. Het privilege van de eigen kinderwereld waar geen ouder vanaf wist en geen volwassen mens zich mee hoefde te bemoeien was toen nog intact.

Van moderne ouders vraagt het toestaan van het scharrelen van hun kroost het een en ander. Allereerst moeten wij als ouders weer iets meer leren loslaten en onze kinderen toch hun eigen wereld gunnen, ook in onze gevaarlijke, geautomatiseerde, stenen steden. We zullen verder moeten inboeten aan prestige die we genieten op de, op talloze clubs opgedane, vaardigheden van ons kroost, waarmee we kunnen pochen tegen de andere moeders en vaders. Want anders blijft er te weinig tijd voor het zogeheten scharrelen. Verder kunnen we onze kinderen af en toe eens toestaan zich te vervelen en samen rond te hangen zonder het toezicht van het angstige argusoog van moeder erbovenop. Ook is het goed te beseffen dat onze kinderen echt niet alles van ons hoeven te weten om een goede relatie met ons te hebben en vice versa.
Het wordt tijd dat we weer wat meer durven en dat we onze kinderen in de gelegenheid stellen weer gewoon zelf vruchten te vinden "in het wild". En dat ze deze bramen, kastanjes of frambozen rustig kunnen opeten zonder dat wij als ouders hysterisch gaan roepen dat "dat vies is".